donderdag 15 november 2018

Gespannen evenwicht

Midatlantic, 17°29'07"N, 31°12'05"W. Wat me steeds weer verwondert is hoe het schip zingt. Of eigenlijk is het niet het schip dat zingt, maar het tuig. De masten, de ra's, het lopend en staand want, alles staat onder spanning, of het nu hard waait of zacht, of de brassen en schoten strak staan of niet, en alles fluit, bromt, klappert en kraakt. Niet hard, maar wel voortdurend. Het constante brommen, zingen en kraken is is de levensadem van het schip, bijna even tastbaar als de romp en de tuigage. Al na een paar dagen klinkt het lied vertrouwd, en hoor ik, als ik voor mijn wacht wordt gewekt, aan het ritme en de toon of er rust of onrust aan boord is. Een ervaren zeeman ziet aan de manier waarop het touwwerk is opgeschoten hoe het staat met de kwaliteit van de bemanning. De vele stagen die de masten steunen, verbinden zowel de vele vaste onderdelen van de tuigage als de mensen die het schip zeilen. Ze zijn het web dat ons met elkaar verknoopt en voortstuwt. En alles zingt zijn eigen lied in de wind.

In ieder complex systeem schuilt een zelfstabiliserend vermogen. Verstoring van het evenwicht wordt in een goed functionerend systeem vanzelf gecorrigeerd. Een kleine verstoring kan de belastbaarheid van het systeem zelfs vergroten. Wat zijn daarvan de achterliggende krachten? Een deel van het antwoord is een lastig begrip: tensegriteit. Tensegriteit is het vormbehoud van een constructie, ontleend aan de balans tussen duw- en trekkrachten. Zeilschepen, met hun masten en rondhouten als duwkrachten, in balans gehouden door een web van strakgespannen lijnen, zijn een fantastisch voorbeeld van dat ‘vormbehoud door interne spanning’. Een goed functionerend zeilschip lijkt bovendien op de mensen die erop varen, en kan ons veel over hen leren.  

Mindelo, Cabo Verde, vier dagen eerder. Op de dag dat we zee kiezen staat er vijftien knopen wind. De passaat doet zich gelden. 'Alles vol en bij!' klinkt het zodra we de baai uit zijn. En dan begint het zeilen zetten. In één vloeien-de beweging vallen de marsen vol, daarna volgen de fok en het grootzeil. Aan de bezaansmast wordt de bezaan aan zijn schoothoek volgetrokken. Al in de haven is het allemaal voorbe-reid; daar zijn de matrozen opgeënterd om op de ra’s de opgebonden zeilen los te maken. Daarna schuiven ze over de paarden weer terug naar de mast, om verder te klimmen naar de bovenmarsera's en daarna weer verder naar boven, naar de bramra's. Steeds hoger klimmen ze, tot zij weinig meer zijn dan grote stippen, hoog boven het dek. Beneden heeft de bootsman de touwtjes in handen. Met onzichtbare lijnen stuurt hij zijn mensen over dek. Soms duwt hij iemand met een kort commando in de goede richting; meestal trekt hij ze naar het juiste punt, met een blik of een armzwaai, wijzend op een loshangende bras of een killend zeil dat hun vakmanschap triggert en ze zonder woorden aan het werk zet.

 Elke verbinding levert een duw- en een trekkracht op. Met mensen is dat niet anders. Hoe meer commando’s, hoe minder persoonlijke verantwoordelijkheid, en omgekeerd. Minder lijnen vragen om een sterkere verbinding. En dan komt het op vertrouwen aan. Een blik van verstandhouding, een hand op een arm kan genoeg zijn om een veerkrachtige verbinding tot stand te brengen. Maar zonder verbindingen verliest het systeem zijn tensegriteit en duikelt iedereen alle kanten op. Tensegriteit is balans. Ieder goed zeilend schip is een toonbeeld van gespannen evenwicht. Voor de bemanning geldt hetzelfde. Als de balans niet klopt loopt het niet lekker, worden er fouten gemaakt, ontstaat in het ergste geval muiterij.  

Midatlantic, 18°13'05"N, 54°43'71"W. De wind wakkert aan. Aan dek wordt een gecompliceerde choreografie uitgevoerd langs de nagelbanken, boven de aanschietende zee hangen de mannen en vrouwen op de paarden. De grootondermars wordt als eerste opgedoekt. Nu komt het erop aan dat iedere lijn op het goede moment wordt gevierd of doorgehaald. De zeilen worden scherper op de wind gebrast, de schoten doorgezet. Het zingen neemt toe als de spanning in het web van lijnen, masten en ra’s steeds verder wordt vergroot. Boven de 7 Beaufort wordt er langzaam weer spanning uitgehaald: dan gaan er steeds meer onderste en bovenste zeilen af, tot alleen de marsen en een paar stagzeilen nog staan. Twee dagen later luwt de storm en gaat alles weer vol en bij. De volgorde is per zeil steeds hetzelfde: gordingen en geien los, schoten aan. Dan vallen de zeilen vol, daarna worden de ra's gebrast voor een ruimere koers. Alle lijnen hebben hun eigen plek op de nagelbanken en de matrozen weten waar. Het is een dans waarbij ze als derwisjen om elkaar heen cirkelen, het toneel verschuift van mast naar mast, eerst voor de razeilen, daarna om de stagzeilen te zetten, het grootstengestagzeil al eerste, daarna het marsstengestagzeil, en tenslotte het bramstengestagzeil, en dan weer verder naar achteren, voor het bezaanstagzeil, dat hier de aap heet, het bezaanstengestagzeil en daarboven tenslotte de vlieger. Als ook het gaffeltopzeil boven de bezaan is gezet, staan ze allemaal, alle 24 zeilen, en lopen we 12 knopen, een prachtige snelheid voor deze oude dame, die zich rustig op haar zij vleit tegen de lange deining aan, een aangename helling die het geluid van de langs schietende zee dichtbij brengt, een prettig sissen dat zich moeite-loos vermengt met het lage brommen van de wind in het want, dat onze reis zonder onderbreking begeleidt.